Het historisch orgel

Hier volgt een beschrijving van de geschiedenis en de restauratie van het orgel van onze kerk, geschreven door Roger van Dijk, die als externe deskundige bij het project betrokken is geweest. Wij zijn hem erkentelijk voor deze beschrijving, die voor iedere belangstellende duidelijk maakt, welk waardevol instrument wij in ons midden hebben. Vanuit de parochie gezien is grote dank verschuldigd aan Jan Walschot, die zich gedurende een aantal jaren met deskundigheid en uithoudingsvermogen heeft ingezet voor het project van de restauratie, met name in het overleg met subsidiegevers en met het kerkbestuur.
Jan Walschot bij de opbouw van het orgel, september 2011


Wie zich wil overtuigen van het klinkende resultaat, is welkom in de vieringen in de kerk of bij een van de muzikale uitvoeringen, waarbij van het orgel gebruik wordt gemaakt.

 

Namens de dankbare organisten,

 

Ren Lantman 

 

 

Het COOV° organiseert regelmatig bijzondere orgelactiviteiten. Op de pagina van het COOV vindt u nadere informatie hierover. 

° COOV Commissie voor het Organiseren van Orgelactiviteiten in Vrangendael

Het gerestaureerde orgel

Geschiedenis van het orgel

door Roger van Dijk

In 1970 plaatste de firma Verschueren (Heythuysen) een historisch instrument in de kerk van Christus Hemelvaart te Sittard. Uit een etiket dat in de windlade werd aangetroffen kan worden afgeleid dat dit orgel in 1748 werd vervaardigd door Pieter Assendelft (1714-1766), orgelmaker te Leiden. Hij was een zeer productief orgelmaker die een aanzienlijk aantal instrumenten leverde, vooral aan katholieke (schuil)kerken. Een groot deel daarvan ging in de loop der eeuwen helaas verloren. Van zijn oeuvre zijn thans nog (delen van) 15 instrumenten bewaard, maar vrijwel geen van deze instrumenten staat nog op zijn oorspronkelijke plaats. Ook het orgel dat zich thans in Sittard bevindt is in de loop der jaren een aantal malen verhuisd; de oorspronkelijke locatie van het orgel is vooralsnog echter onbekend.

 

Etiket in de windlade: bouwer is Pieter Assendelft (1714-1766)

Voor zover nog leesbaar luidt de tekst als volgt:

     Pie…. Assendelft org…aaker
     tot ….en het 9 Stu….48

Over de naam van de orgelmaker en zijn beroep bestaat geen twijfel. Verder is juist vóór de letters en op de tweede regel nog een klein fragment van een d zichtbaar zodat hier vrijwel zeker de woonplaats van Assendelft, Leiden, werd aangeduid. Aan het einde van de tweede regel zijn nog net de cijfers 48 zichtbaar die vrijwel zeker duiden op het jaartal 1748. Op basis van dit alles mag worden aangenomen dat de volledige tekst als volgt is geweest:

    Pieter Assendelft orgelmaaker
    tot Leyden het 9 Stuck 1748

Daarmee staat vast dat het orgel niet in 1769, zoals eerder werd aangenomen, maar al in 1748 werd vervaardigd en dus tot de vroege instrumenten van Pieter Assendelft mag worden gerekend.

Op enig moment werd het orgel in het klooster Soeterbeeck te Deursen geplaatst. Wanneer dat gebeurde is niet duidelijk. Mogelijk heeft het eerder genoemde jaartal 1769 daarop betrekking.

De oudste bron in het kloosterarchief waarin het orgel wordt genoemd is het Memoriale van rector Beckers. Hij noteerde het volgende:

 

Klooster Soeterbeeck Deursen


Naar zijn eerwaarde [rector Erckens] afsterven 1772 heeft den eerwaarden heer rector Arnoldus Beckers den orgel laten versetten in den hoek agter de deur, alwaar hij nog staat. Hij stond eerst regt tegenover de hoogen autaar naar den kant daar nu ons lievenvrouwen autaar is. Dit is geschiet met goedvinden van mater…

Uit deze aantekening mag worden afgeleid dat het orgel al vóór 1772 in het klooster aanwezig was. Wie voor bovengenoemde verplaatsing van het instrument verantwoordelijk was is niet duidelijk. Wel is bekend dat in 1807 het toenmalige orgel van klooster Soeterbeeck werd verkocht aan de orgelmaker Leonard van Eijsdonck (1736-1812), onder voorwaarde dat de zusters het instrument gedurende een periode van zes jaar vrij zouden mogen gebruiken. Met andere woorden: de zusters huurden het instrument in het vervolg van Van Eijsdonck en betaalden daarvoor 20 gulden per jaar. Mogelijk trachtte men op deze wijze inbeslagname van het orgel door de Franse autoriteiten te voorkomen. Toen het klooster in 1812 werd opgeheven en de kloostergoederen in beslag genomen werden, maakte men een inventarislijst op; de waarde van het orgel werd daarbij bepaald op 80 gulden. Omdat in de kap van de middentoren de aantekening L. van Eijsdonck zichtbaar is, staat het vrijwel vast dat het thans in Sittard aanwezige instrument al voor de opheffing van het klooster in Deursen stond en daar - ondanks de tijdelijke sluiting van het klooster – gedurende de 19e en een groot deel van de 20e eeuw bewaard bleef.

De oudste bekende bron waarin het orgel wordt beschreven is het zogenaamde handschrift Broekhuyzen, dat tussen ca. 1850 en 1862 tot stand kwam. In dit handschrift zijn de volgende gegevens over het orgel opgetekend:

Deursen, Provintie Noord-Braband

 

Het orgel in de capel van het Augustinessenklooster aldaar. Is de maker en datum der stichting onbekend. Heeft 6 stemmen, een handclavier, geen pedaal en twee blaasbalgen.

      [Manuaal]
     Holpijp 8 vt
     Prestant D 8 vt
     Prestant 4 vt
     Fluit 4 vt
     Octaaf 2 vt
     Sexqualter D 2 st
     tremulant, ventil

Hieruit kan - met enige voorzichtigheid - worden afgeleid welke dispositie het orgel op dat moment had en dat er twee spaanbalgen aanwezig waren.

Aan het einde van de 19de eeuw was het orgel in onderhoud bij de orgelmakers Kuijte uit Oss. Uit aantekeningen in de kap van de rechter zijtoren kan worden afgeleid dat Paulus Lucianus Kuijte (1854-1919) in 1879, 1884 en 1885 aan het orgel werkte. Daarna nam zijn broer Adrianus (1843-1912) de zorg voor het instrument over. Uit aantekeningen in het rekeningenboek van Adrianus Kuijte zou kunnen worden afgeleid dat de twee blaasbalgen inmiddels waren vervangen door één magazijnbalg.

Kort voor 1940 kwam het orgel in onderhoud bij de firma Gebr. Vermeulen (Weert). In het archief van deze orgelmakerij bleven enkele notities over het orgel in klooster Soeterbeeck bewaard. Daarin is opgetekend dat zich op de windlade nog twee vrije slepen bevonden. Op de windlade was dus plaats voor twee extra registers die evenwel niet aanwezig waren. Het een en ander kan worden verklaard uit het feit dat Pieter Assendelft (delen van) orgels in serie vervaardigde en voor dit orgel een lade met acht plaatsen gebruikte.

In 1954 fuseerde klooster Soeterbeeck met klooster Mariëndaal te Sint-Oedenrode. In het kader daarvan wenste men het orgel van Mariëndaal naar Soeterbeeck over te brengen in plaats van het oude Assendelft-orgel. De orgelmakers Vermeulen noteerden op dat moment de volgende dispositie van het instrument:

     [Manuaal, C-c3 49 tonen]
     Bourdon 8
     Prestant 8 disk, ged. front
     Viola 8 disk
     Prestant 4 ged. front
     Fluit 4 Octaaf 2

Uit deze beschrijving kan worden afgeleid dat de dispositie zoals die in het handschrift Broekhuyzen werd genoteerd nog grotendeels ongewijzigd was; slechts de Sexqualter D 2 st blijkt in de loop der jaren te zijn vervangen door een Viola 8 (D).

De fusie van de beide kloosters betekende uiteindelijk de verkoop van het Assendelft-orgel. Het instrument werd in 1955 ingrijpend gerestaureerd en uitgebreid door de firma L. Verschueren (Heythuysen).

Reconstructie Balustrade orgel

Oorspronkelijk was het orgel ingebouwd in de balustrade; het klavier bevond zich toen aan de achterzijde van de kas. Om het orgel als zelfstandig meubel te kunnen plaatsen werd de bestaande kas van een nieuwe onderbouw voorzien die vrijwel geheel uit plaatmateriaal bestond. Het klavier verhuisde naar de zijkant van de kas en de mechanieken werden opnieuw aangelegd.

Daarvoor werd oud materiaal van onbekende herkomst gebruikt. Het is overigens niet helemaal ondenkbaar dat in 1955 alleen de onderbouw werd vernieuwd maar dat de verplaatsing van het klavier al eerder plaats vond maar concrete gegevens daarover zijn niet (meer) voorhanden. Ingrijpend was ook de verandering van de dispositie (samenstelling van registers). Deze werd, door het aanbrengen van nieuwe registers, meer bij de toenmalige smaak van de tijd gebracht, zonder daarbij overigens het werk van Assendelft als uitgangspunt te nemen.

Het aldus vernieuwde orgel kreeg daarna een nieuwe bestemming in de Sint-Martinuskerk te Gennep.

In 1970 plaatste de firma Verschueren het orgel in de kerk van Christus Hemelvaart te Sittard. Bij die gelegenheid bleef het orgel ongewijzigd. Wel is in de daaropvolgende periode aan de voorzijde van de orgelkas nog een gipsen decoratie aangebracht. Sinds 1955 had het orgel de volgende dispositie:

     Manuaal, C-c3
     Bourdon 8
     Gamba D 8
     Octaaf 4
     Fluit 4
     Kwint 2 2/3
     Octaaf 2
     Mixtuur III
     Cornet D III
     Kromhoorn B 8
     Regaal D 8


Het orgel in Vrangendael
voor de restauratie 1970-2009

De restauratie van het orgel

In het najaar van 2002 werd door het kerkbestuur advies gevraagd over de toestand van het orgel. De aanleiding daarvoor was een gewenste verbetering van de klank. Al snel werd duidelijk dat verbetering van de orgelklank niet los kon worden gezien van de technische toestand van het instrument. In goed overleg met de parochie en andere betrokkenen is vervolgens een restauratieplan opgesteld dat erop was gericht het instrument zoveel mogelijk in de oorspronkelijke toestand terug te brengen, ten minste voor zover dat in de kerk van Sittard mogelijk was. In de oorspronkelijke toestand was het orgel immers in de balustrade geplaatst en bevond het klavier zich aan de achterzijde.

In de loop der jaren was het instrument gewijzigd en daarbij van een grotendeels uit plaatmateriaal bestaande onderbouw voorzien. Omdat in de huidige kerk plaatsing van het orgel in de balustrade niet mogelijk is, werd een oplossing gevonden in het vervaardigen van een nieuwe onderkas naar voorbeeld van enkele andere instrumenten van Assendelft (Ittervoort en Nijmegen). Ook de verdere technische aanleg is op deze instrumenten gebaseerd.
  Nieuwe onderbouw

Nieuwe onderbouw

Na een offerteronde is in 2005 besloten de restauratie van het orgel te laten uitvoeren door Verschueren Orgelbouw b.v. (Heythuysen) zodra de benodigde procedures zouden zijn doorlopen en de financiering (nagenoeg) rond zou zijn. In 2005 en 2006 is vervolgens kleuronderzoek verricht door respectievelijk B. Crijns van de (toen nog) Rijksdienst voor de Monumentenzorg en M. Wolters-Kuipers (Meerssen). Verder werd, na offerte, besloten het schilderwerk aan de kas te zijner tijd uit te laten voeren door de firma Druncks (Roermond). In 2006 werden de benodigde stukken ingediend bij de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten. Daarop volgde in 2007 een vaststelling van de subsidiabele kosten in het kader van het Besluit rijkssubsidiëring restauratie monumenten 1997.

Helaas bleek het niet meer mogelijk om binnen deze regeling voor subsidie in aanmerking te komen omdat de budgetten reeds ‘vergeven’ waren. Gelukkig bracht de zogenaamde ‘achterstandsregeling’ uitkomst. Een subsidieaanvraag in deze regeling werd in 2009 gehonoreerd. Later dat jaar kon de restauratie daadwerkelijk worden opgedragen. Op 6 april 2010 kon worden begonnen met de demontage van het orgel dat in zijn geheel werd overgebracht naar Heythuysen. De werkzaamheden werden vervolgens begeleid door ondergetekende en drs. W.J.C. Diepenhorst namens de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).
  Demontage april 2010

Uitgevoerde werkzaamheden

Orgelkas en frontpijpen

De oude delen van de oorspronkelijke (grenen) orgelkas zijn schoongemaakt en waar nodig hersteld en gecompleteerd. Dat betrof met name het dak en delen van de achterwand. Aan de voorzijde is het restant van het oorspronkelijke soffiet (snijwerk onder het front) aangevuld. Verder is aan de pijpvoeten snijwerk aangebracht dat qua vormgeving is gebaseerd op het snijwerk aan de bovenzijde van de pijpen. Dit snijwerk is, net als dat aan het soffiet, vervaardigd door G. van den Dikkenberg (Veenendaal).

Het onderste deel van de kas is geheel nieuw vervaardigd op basis van de orgelkas van Ittervoort. Zie Afbeelding
Orgelkas van Ittervoort  
In principe is deze kas in verhouding uitvergroot en daarna voor Sittard gekopieerd. Vanwege de aanwezigheid van het soffiet is afgezien van verdere ornamentiek c.q. profilering op dit deel van de voorzijde van de kas.
  Aanbrengen van bladgoud


De nieuwe delen van de kas zijn van fichte (naaldhout). Aansluitend is de gehele kas opnieuw geschilderd en verguld door de firma Druncks (Roermond). Daarbij is uitgegaan van de kleurstelling zoals die in Ittervoort werd aangetroffen. De loden frontpijpen zijn hersteld en net als in de oorspronkelijke situatie van tinfolie voorzien. Aansluitend zijn de labia verguld. Deze werkzaamheden zijn uitgevoerd door de orgelmaker.

Windvoorziening

Balg Windmotor Zowel de nieuwe balg als het nieuwe windkanaal zijn vervaardigd van grenen. De balg bevindt zich in de nieuwe onderkas; de bestaande windmotor is gereviseerd en in een aparte kist buiten (achter) het orgel geplaatst.  
    Balg
De windvoorziening is geheel nieuw aangelegd waarbij het orgel van Ittervoort als voorbeeld diende. Om een rustigere wind te garanderen is ervoor gekozen de spaanbalg van twee vouwen te voorzien. Bij de aanleg van de windvoorziening is de oorspronkelijk inlaat in de lade weer benut. Deze gaf tevens aanwijzingen over de maatvoering van het windkanaal.  
    Windmotor


Klaviatuur en mechanieken

Van de oorspronkelijke klaviatuur (toetsenbord) en mechanieken was niets bewaard gebleven. De nieuwe toets en registermechanieken zijn wat betreft makelij grotendeels geënt op de orgels van Nijmegen en Ittervoort. Omdat de ventielkast van de windlade zich in Sittard aan de achterzijde bevindt is de aanleg van de mechanieken hieraan aangepast.

De registertrekkers zijn van eiken. Acht van de bij demontage aanwezige registerknoppen zijn opnieuw gebruikt. De nieuwe registerplaatjes (perkament) zijn naast de knoppen aangebracht.

Registertrekkers met plaatjes

De spelling is gebaseerd op historische dispositiegegevens en het in de windlade aangetroffen etiket met de datering van het orgel.

Registertrekkers
   
Windlade  

De windlade is geheel gerestaureerd en daarbij zoveel mogelijk in de oorspronkelijke toestand teruggebracht. De bovenzijde van de lade is doorgaand beleerd; de ringen zijn op het leer geplakt. Aan de onderzijde is de lade eveneens afgeplakt met leer.

De ventielen zijn opnieuw beleerd; de staarten zijn, net als in de oorspronkelijke toestand, verlijmd.



Rooster windlade

Uit praktische overwegingen en om de aanwezige sporen te behouden is ervoor gekozen om nieuwe roosters te vervaardigen en de oude in het orgel op te slaan. De nieuwe roosters zijn van eiken.

De oude registers zijn op de oorspronkelijke plaatsen teruggezet en de in 1955 toegevoegde stokken zijn benut voor de nieuwe Quint en de nieuwe Mixtuur. Het op een kantsleep aan de achterzijde toegevoegde tongwerk is verwijderd.

 

 Pijpwerk

Het nog aanwezige Assendelft-pijpwerk is zorgvuldig geïnventariseerd en vervolgens gerestaureerd en gecompleteerd waarbij de oorspronkelijke toonhoogte is hersteld. Uit de aanwezige inscripties kon worden vastgesteld dat Assendelft (deels) materiaal uit voorraad moet hebben gebruikt en dat in latere tijd verschuivingen hadden plaatsgevonden. Uiteindelijk is besloten het pijpwerk in de registers Holpijp, Prestant 4 en Fluijt 4 in principe op de aangetroffen plaats te laten staan en alleen afwijkende pijpen te vervangen en/of evidente verwisselingen van pijpen ongedaan te maken. De nieuwe registers (Quint, Sexqualter D en Mixtuur) zijn wat betreft mensuur gebaseerd op de Octaaf 2 en de Prestant 4. Inhangen pijpen
Alvorens het nieuwe pijpwerk te vervaardigen is door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) een metaalanalyse van het oude pijpwerk uitgevoerd. Daaruit bleek dat het oude materiaal uit vrijwel puur lood bestaat. Uit praktische overwegingen is besloten de nieuwe pijpen van 98% lood te vervaardigen.
  489 pijpen
Over de oorspronkelijke stemming van het orgel waren geen gegevens voorhanden. Het lag, gezien de achtergrond van de orgelmaker en de ouderdom van het instrument, voor de hand dat dit middentoon of een zeer nauw daaraan verwante stemming moet zijn geweest. De zogenaamde gelijkzwevende stemming is pas in de loop van de 19e eeuw ingeburgerd geraakt. Om het praktische gebruik van het orgel in de huidige context niet teveel te beperken is in overleg met de RCE en de opdrachtgever gekozen voor Kirnberger III.

Stemmen kleine pijpen

 

stemmen aansnijden stemmateriaal

 

Na de restauratie in 2011 heeft het orgel de volgende dispositie:

     A = 415 Hz

     Manuaal C-c3
     Holpijp 8 vt
     Prestant Disc. 8 vt
     Prestant 4 vt
     Fluit 4 vt
     Quint 3 vt
     Octaaf 2 vt
     Mixtuur III-IV
     Sesquialter      

naar de vorige pagina ...